Direct naar paginainhoud
menu

‘Beheer is bestuurlijk de meest interessante portefeuille’ (artikel Stedelijk Interieur) Wiebe Oosterhoff

Wiebe Oosterhoff, strategisch adviseur Stadsbeheer in Almere, voerde in 2016 en 2017 circa dertig gesprekken met professionals in het land over stedelijk beheer. Hij schetst het beeld dat uit die verkenning komt: gemeenten en brancheorganisaties doen veel aan innovatie, maar iedereen is voor zichzelf bezig, op zijn eigen eilandje, en praat hier niet over met anderen. ‘Beheerders moeten daarom hun bescheidenheid afwerpen en het podium pakken.’

‘Qua ontwerp en beheer van de openbare ruimte zijn we de beste van de wereld. Onze steden zijn van een grote schoonheid. Dat geldt voor allerlei steden, zoals Hilversum met zijn Dudok-wijken uit de jaren dertig, waar iedereen dolverliefd op is. Maar ook Almere heeft wijken van de beste ontwerpers van deze tijd, zoals OMA, het bureau van Rem Koolhaas, die in Almere Poort Homeruskwartier hielp ontwikkelen, en Winy Maas, die de grondlegger is van Oosterwold. Onze openbare ruimte ligt er supergoed bij. Alle basisvoorzieningen werken hier ook altijd, zoals water, riool, energie. Ook esthetisch is alles supergoed geregeld. En we hebben geen gaten in de wegen zoals in België of Duitsland.’ 

Introvert
Wiebe Oosterhoff (56) is van oorsprong landschapsarchitect. Eerder werkte hij bij de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting van de gemeente Rotterdam en bij H+N+S Landschapsarchitecten. 4 jaar geleden maakte hij de overstap naar stedelijk beheer en werd strategisch adviseur Stadsbeheer bij de gemeente Almere. Hij raakte ‘verwonderd’ over het grote verschil dat hij aantrof tussen de werelden van ontwerp en beheer. De beheerwereld is in zijn ogen nogal introvert, erg technisch georiënteerd en hij signaleert een zekere ‘spruitjesgeur’. ‘In de meeste gemeenten bestaat een enorme kloof tussen de beheerders en ontwerpers. Beheerders weten alles van het riool, van de bomen of van de verlichting. Alleen, vaak zijn het techneuten die weinig communicatief zijn en heel erg in hun eigen kokertje zitten en het zijn de ontwerpers die met hun design in het Architectuurjaarboek willen komen en niet nadenken over hoe hun plan er over 10 jaar uitziet.’ 

Intussen leggen beheerthema’s veel gewicht in de politieke schaal en gaat het landelijk om miljarden aan investeringen. ‘Veel onderwerpen in de beheerwereld worden steeds politieker. De stadsreiniging wil bijvoorbeeld dat Almere een stad zonder afval wordt. Het restafval moet van 200 kilo per jaar per burger naar 50 kilo. Dat heeft gevolgen voor de afvalstoffenheffing en dat ligt politiek gevoelig. Bij dit soort transities zie je dat ze eerst altijd meer geld kosten, want alle systemen moeten eerst worden vernieuwd.’ 

Terwijl ruimtelijke ontwikkeling bestuurlijk de meeste aandacht krijgt, is beheer nogal eens een restpost, signaleert Oosterhoff. ‘En dat terwijl het in mijn ogen het bestuurlijk de meest interessante portefeuille is en er het meeste geld in omgaat. In Almere investeren we jaarlijks € 50 miljoen in het beheer van de openbare ruimte en beheren we € 1,2 miljard aan kapitaalgoederen. Die goederen moeten gemiddeld elke 40 jaar worden vernieuwd. Jaarlijks investeren we € 15 miljard in het beheer van Nederland, via gemeenten, waterschappen, provincies, Rijkswaterstaat. Astronomische bedragen die de overheden investeren, waarmee we transities kunnen realiseren, maar we denken te weinig na over wat we ermee doen.’ 

Nederland ligt er fantastisch bij, benadrukt Oosterhoff keer op keer. Dat heeft ook te maken met de nauwe samenwerking tussen overheid en brancheorganisaties. ‘Je hebt grote koepelorganisaties als CROW, RIONED, SBRCUR, die zorgen voor de normen in de openbare ruimte en het beheer. Ze gaan over het soort contracten, de afstand van bomen, de kleur van het fietspad, over beheernormen. Die clubs worden betaald door ingenieursbureaus, aannemers en overheden. Ze lobbyen goed en daardoor ligt alles er goed bij. Er zitten grote belangen achter. Die bedrijven hebben ook veel kennis. Zo beheert de Antea Group data van de groenarealen van veel gemeenten. Eigenlijk is het raar dat dat bij een adviesbureau zit en niet bij de overheid of bij een onafhankelijk instituut.’ 

Wilde Westen
In de ogen van Oosterhoff is er veel te weinig wetenschappelijk aandacht voor beheer. ‘De kwaliteit van de openbare ruimte is nooit onderdeel van benchmarks. Daardoor is het de vraag wat de wetenschappelijke basis van al die investeringen in de openbare ruimte is. De Legatum Prosperity Index van de Verenigde Naties brengt de scores van landen in beeld als het gaat om de rechtstaat en gezondheid, maar kijkt niet naar de openbare ruimte. Ook in Nederland is er geen wetenschappelijke studie waarom we het beheer zo uitvoeren, zoals we doen. Voor het beheer van stedelijke openbare ruimte bestaat geen opleiding, dat is een soort Wilde Westen.’ 

‘Interessant is wel dat er veel verschillende beleidskaders voor de openbare ruimte bestaan bij gemeenten. Zo heeft Deventer een visie op de leefomgeving die zowel de openbare ruimte, beheer als sociaal domein omvat. Die gemeente heeft ook een omgevingspsycholoog aangetrokken, die kijkt naar de beleving en het gebruik van de openbare ruimte. Andere gemeenten hebben dan weer visies op de openbare ruimte, met daarin aandacht voor ontwerp en beheer.’ 

‘In een nieuwe gemeente als Almere bestaat zo’n samenhangende visie niet en is er afstand tussen ontwerp en beheer. De stad is een patchwork van unieke gebieden. In Almere moet ieder deelplan uniek zijn, want anders verkoopt het niet. Almere Duin is net Bergen aan Zee, met echte duinen, een paar honderd meter verderop ligt het Homeruskwartier, waarin particulier opdrachtgeverschap centraal staat. Oosterwold is de wijk in Nederland waar mensen in alle vrijheid hun woondroom kunnen realiseren. Ze moeten er wel voor hun eigen aansluitingen zorgen. Almere biedt een maximale vrijheid om in allerlei wijken unieke woonconcepten te bedenken en mensen aan te trekken. Voor het beheer is het complex, want je hebt 100.000 soorten materiaal nodig.’ 

‘Veel beheerorganisaties hebben de basis onvoldoende op orde. Men heeft geen realtime overzicht van de staat van de openbare ruimte. Er is vaak geen overzicht van alle info over een straat, hoe oud die is, wanneer die gereviseerd is, hoe de huidige staat is en wanneer nieuw onderhoud gepland staat. In Almere hebben we bijvoorbeeld een goed overzicht van het riool en de verlichting, maar veel minder van wegen en viaducten. Gemeenten werken nog deels op papier en onderhoudsklachten moeten vaak nog handmatig worden ingevoerd.’ 

Management en participatie
Oosterhoff signaleert twee hoofdstromen in het stedelijk beheer: die van het assetmanagement (sturing van bovenaf) en de stroming die meer nadruk legt op burgerparticipatie (sturing van onderen). ‘De meeste beheerorganisaties zijn bezig met assetmanagement, het beheer van de kapitaalgoederen. De meeste gemeenten noemen alle elementen in het openbaar domein assets en sturen daar ook op. Een stad als Breda stuurt op de hoofdassets als riool, hoofdverkeerswegen, bomenstructuur. De overige assets laten ze vrij en voegen ze samen met het sociaal domein. Ze laten de invulling daarvan aan de wijken over. Die aanpak vind ik het meest interessant. Gemeenten als Nijmegen en Arnhem laten elk onderdeel van het beheer in wijken open voor buurtbegrotingen en burgerparticipatie. Andere gemeenten vinden het gepraat over participatie en zelfbeheer maar modieus gedoe. Door de participatie kunnen de afspraken per straat verschillen en dat is voor een efficiënt stedelijk beheer een grote opgave om daar mee te dealen.’ 

In de stedelijke gebieden liggen de uitdagingen nu op thema’s als verdichting, klimaat, circulaire economie en vergroening, schetst Oosterhoff. ‘De Agenda Stad bevat City Deals over allerlei vraagstukken, maar er is geen City Deal over het totaal. Gemeenten die aan die opdrachten werken, doen dat heel versnipperd. Er wordt wel geïnnoveerd met slimme lantaarnpalen, met nieuwe rioolsystemen, energiegevend asfalt, maar het zijn allemaal kleine dingetjes. Er vindt nauwelijks kennisdeling plaats, iedere gemeente doet dat voor zichzelf.’

Samenlevingsbeheer
Een overkoepelend kenniscentrum stedelijk beheer kan een grote rol vervullen bij de kennisdeling tussen gemeenten en brancheorganisaties, denkt Oosterhoff. ‘Zwolle en Rotterdam zijn bijvoorbeeld goed in klimaatadaptatie, Amsterdam in technische innovaties en Almere in circulaire economie en afvalbeheersing. Daarnaast bestaan er allerlei specifieke clubs zoals NSVV (Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde, red.), COB (Centrum voor Ondergronds Bouwen, red.) en WOW (Wegbeheerders Ontmoeten Wegbeheerders, red.), die hoogwaardige kennis hebben, maar het zijn allemaal eilandjes. In de combinatie van al die kennis liggen heel veel kansen. Een oplossing zit in het idee van het stedelijk metabolisme van Dirk Sijmons. De grote kans is de stromen in de stad beter te gebruiken als productiefactor, zoals afval, water, bouwmateriaal, voedsel. Daarnaast is ook de technologie een kans: leren omgaan met big data, internet of things, goede beheerdata.’

‘Verder is ook de verbinding met het sociaal domein een kans, waarbij beheer mensen met afstand tot de arbeidsmarkt helpt te integreren. In Almere neemt de gemeente mensen uit de kaartenbak aan voor 2 jaar en krijgen dan een opleiding tot bijvoorbeeld vrachtwagenchauffeur. Na 2 jaar krijgen ze vaak een betere baan. Een ander deel krijgt via de Tomingroep een plek aangeboden (De Tomingroep biedt werkgelegenheid aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt – red.). Verder zijn er veel medewerkers bij de reinigingsdienst, toezicht en handhaving en beheer openbaar ruimte, die ook de ogen en oren op straat zijn. Zij zouden nog veel meer kunnen uitwisselen over wat ze zien met bijvoorbeeld mensen van het sociaal domein.’

Circulaire economie
‘Waarom werkt beheer niet veel slimmer? We excelleren in het werk op straat en het laten draaien van de voorzieningen. Tegelijk lopen de ontwerpers voorop in de processen en hollen de beheerders en ingenieurs daar achteraan. We kunnen onze rol als rentmeester van het kapitaal in de openbare ruimte nog veel slimmer invullen. Iemand als Gunter Pauli (ondernemer die zich sterk maakt voor duurzame economie – red.) vraagt zich af waarom Almere niet veel meer waarde creëert uit alle groen in de stad, bijvoorbeeld door runderen in te schakelen bij de begrazing van het groen en ze vervolgens te slachten. Waarom planten jullie niet meer vruchtbomen en groente aan, dat levert dan ook weer voedsel op voor de stad, vroeg hij zich af. Dat is een hele slimme analyse, want heel veel groen ligt er maar. Dat is goed voor de stad en je produceert nog voedsel ook. We werken nu vier van dit soort ideeën uit in businesscases. Die roepen direct weer nieuwe vragen op. Wat betekent dat bijvoorbeeld voor onze rol als overheid?’ 

Beheerders moeten eens hun bescheidenheid afwerpen en het podium pakken, vindt Oosterhoff. ‘We zijn in Almere zelf bezig met een langetermijnvisie op beheer. Daarvoor werken we vanuit een aantal pijlers. Eén daarvan is de overgang naar een circulaire stad, aansluitend bij de ideeën van Gunter Pauli. De andere pijler is de bijdrage van beheer aan sociaal-maatschappelijke vraagstukken, dat staat nog in de kinderschoenen. Verder is er de bijdrage aan de ruimtelijke ontwikkeling van de stad: gaan we naar differentiatie in materiaalgebruik of naar meer standaardisatie? Vaak zie je dat gebieden zo goedkoop mogelijk moeten worden aangelegd om zoveel mogelijk winst te halen uit de exploitatie. Door die goedkopere aanleg zijn de kosten voor beheer vaak hoger. Ten slotte moeten we nadenken over de vervangingsinvesteringen in de stad.’ 

Bij de Floriade in 2022 wil Almere zich presenteren als duurzame stad. Ook dat ziet Oosterhoff als een grote kans voor beheerders om zich te manifesteren. ‘Bij de Floriade willen we dat alle materialen uit de stad komen. Dan kom je ook uit op een ingewikkelde discussie want de verwerkers van die goederen krijgen dan een voorkeursbehandeling terwijl je andere partijen uitsluit. In de beheerwereld kost het moeite om mensen te vinden die zich strategisch met zulke toekomstvragen willen bezighouden. Er zijn mensen nodig die de transitie begrijpen, zoals de klimaatadaptatie, en die kunnen verbinden. Dus de pendelaars tussen het stadhuis en de mensen daarbuiten, mensen die data-analyses kunnen doen en de vakmensen op straat. En die het gesprek met mensen in de stad aankunnen.’ 

Tekst: Martin Zuithof
Beeld: gemeente Almere

Wat vindt u van onze website?