Welstand 2014 – 2020

Na 6 jaar welstand in Almere maak ik de rekening op. De periode heeft voor mij veel betekend en blootgelegd. Het belang van het zorgvuldig omgaan met ruimtelijke kwaliteit in een New Town als Almere heeft zich duidelijk geopenbaard. De successen tonen dit aan, maar ook de missers en de uitdagingen. Wat de toekomst voor onze stad gaat brengen, is nog onduidelijk. Wat ze zou moeten brengen is echter kraakhelder.

Als ik begin juli 2014 mijn eerste welstandsvergadering meemaak als commissielid is in retrospect al duidelijk waar de commissie mee worstelt. Het vehikel Welstand blijkt al 10 jaar onderwerp van politiek gesteggel, omdat sommige partijen de stad liever volledig welstandsvrij zouden verklaren. Rond 2013 komt het compromis: een gebrekkige Welstandsnota die alleen nog iets zei over de vier belangrijkste thema’s; de hoofdinfrastructuur, het groenblauwe raamwerk, de stadscentra en de themawijken.

De politieke houding van de periode daarvoor resoneert echter door binnen het ambtelijk apparaat. De commissie is voor velen meer een noodzakelijk kwaad dan een waardevol instituut. Welstand ervaren velen als laatste te nemen hobbel, een hoogdrempelig fort waar je meer last van dan baat bij hebt. Dat terwijl de wens voor sturing op ruimtelijke kwaliteit vanuit een ander deel van het ambtelijk apparaat steeds sterker is. De afdeling gebiedsontwikkeling gaat inmiddels zelfs zo ver, dat ze ruimtelijke kwaliteitseisen (materiaalkeuze, kleurgebruik, etc.) voorschrijft en privaatrechtelijk afdwingt via de kavelpaspoorten. Dat maakt Almere anno 2021 tegen de afspraak met de gemeenteraad in, alles behalve welstandsvrij.

Wat ik in 2014 aantrof was een sterke commissie met een bevlogen secretaris in de vorm van Remke Brouwer. Ze moest opboksen tegen haar eigen beleidsmakers die liever geen Welstand in de stad leken te willen. Dat schisma is enigszins verdwenen, maar een duidelijke visie op het bewaken van ruimtelijke kwaliteit is er nog altijd niet.

Het werk van de commissie bestaat uit twee taken: allereerst het klassieke welstandswerk waarbij ingediende bouwaanvragen achteraf worden beoordeeld en daarnaast het meedenken en spiegelen van grotere plannen die de afdeling stedenbouw initieert (in de vorm van de commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK)).

Het klassieke welstandswerk werd in 2014-2016 vooral gevuld met twee extensieve projecten: het verdubbelen van de spoorlijn met bijbehorende geluidsschermen en het verbreden van de A6. In de CRK kwamen de deelplannen voor Almere Poort en Nobelhorst voorbij, alsook de ontwikkelingen rond station Muziekwijk (grootschalige transformatie) en rond het Centraal station (hoogbouw en verdichting).

Wat opvalt is dat hierbij een duidelijke integrale visie voor de stad ontbreekt. Hoogbouw en verdichting lijken hierbij als een ad-hoc invulling voorbij te komen.
Waar andere grote steden hun verdichting kunnen spiegelen aan bijvoorbeeld een hoogbouwvisie, wordt in Almere de invulling van deze problematiek vooral aan de markt overgelaten.

Medio 2016 vertrokken zowel veel commissieleden als de voorzitter omdat hun zittingstermijnen erop zaten. Ik werd aangesteld als voorzitter en kreeg de kans om, samen met de secretaris, een nagenoeg nieuwe commissie op te tuigen.

Wat bijzonder was, was dat er op dat moment erfgoedbeleid voor de stad in de maak was. Almere koos daarom voor een gecombineerde welstand en erfgoed commissie Behalve drie architecten, een stedenbouwkundige en een landschapsarchitect, voegden we een erfgoed-deskundige aan de commissie toe. Persoonlijk zette ik in op een commissie met een eigen verhaal, een grote zichtbaarheid en een lage drempel; of liever gezegd, géén drempel.
Dat lukte. De verschillende diensten vonden de commissie steeds makkelijker en sneller. Er werd veel en productief gespard en samengewerkt aan de diverse uitdagingen van onze stad.

Wat opvalt, is dat de stad vooral vanuit een beheerders-perspectief wordt bediend. Problemen ontstaan en worden ad-hoc opgelost, niet vanuit een integrale visie. Zo moeten we alle zeilen bijzetten om te komen tot een waardige, integraal vormgegeven vervanger van de langzaam-verkeer bruggen die aan vervangen toe zijn.

Ook buigen we ons over oplossingen voor geluidsoverlast. Door intensivering van verkeer hebben de woonwijken in de groeiende stad hier steeds meer mee te maken. Almere kenmerkt zich door een open en heldere verkeersstructuur, ingebed in groene corridors (de Hoge ring, Tussenring en de dreven). Onderbrekingen in het groen geven bewuste inkijkjes in de stad. Om de geluidsproblematiek te tackelen werkt Almere niet vanuit die groene visie, maar vanuit een beheerstechnisch-pragmatische. Zo wordt ieder ‘geluidslek’ met een andere, vooral goedkope en visieloze geluidsmuur beslecht. Dit leidt, als we niet oppassen, tot een grote verarming van de beleving van de stad vanaf ons geroemde groenblauwe raamwerk.
Een ander voorbeeld van een dergelijke verarming zien we in de drie nieuwe zelfbedieningssluizen (De Beatrix-sluis, De Leeghwater-sluis en de Kromme Wetering-sluis). In plaats van prachtplek in de natuur zijn ze onnodig verworden tot iets dat meer lijkt op een verboden plek achter hoge hekken dan op een sluis.

Tenslotte zijn er de opdoemende velden met zonnepanelen. In tegenstelling tot andere provincies is er in Flevoland geen beleid of toetsingskader op deze ontwikkeling. Samenvattend: het ‘Landschap’ dat Almere heet, staat sterk onder druk.

Maar er zijn ook successen geboekt. Op een kleinere schaal dan het landschap, maar zeker niet minder belangrijk, is het onderwerp ‘reclame’. In dialoog met de betrokken ambtenaren is een mooie visie op reclame ontwikkeld en neergelegd. Een gedegen plaatsingsplan en een proactieve visie op digitale reclame is het resultaat.

Wat het tegelijkertijd moelijker maakt om in dit reclamebeleid te volharden, is handhaving, of beter gezegd: het gebrek daaraan. De beoordeling van reclame-aanvragen is bijna niet meer vol te houden, omdat ‘de buurman’ allang iets dergelijks illegaal heeft gerealiseerd. Ook dit onderwerp is een gevaar voor de kwaliteit van de ervaring van de openbare ruimte in de stad en heeft inmiddels haar kookpunt bereikt; er zal nu (en niet morgen) zwaar ingezet moeten worden op handhaving, willen we deze ontwikkeling beheersbaar houden en die mooie reclamenota recht toe doen.

Een stad die oud genoeg is voor erfgoed, is ook oud genoeg voor stadsvernieuwing. De noodzaak hiervoor geldt vooralsnog alleen voor het complexe Almere Haven. Een stadsdeel met veel groen, een warrige en geknepen infrastructuur, veel laagbouw, een groot aandeel sociale huur en een uit elkaar getrokken en onduidelijk centrum.
Een integraal toetsingskader ontbreekt en een stedenbouwkundige doorontwikkelingsvisie is er niet. De opzet van het Havenverbond is een mooie manier om de doorontwikkeling in goede banen te leiden. De volgende stap is het aanstellen van een supervisor en het opstellen van een masterplan of structuurvisie; het eerste vooral om de kwaliteit van de betrokken ontwerpers te bewaken, het tweede om alle betrokkenen een handvat te geven.

Mijn periode eindigde met twee projecten die laten zien dat het jonge erfgoedbeleid nog heel wat uitdagingen kent:

Ten eerste liep het oudste publieke gebouw van de stad, de Roef, haar gewenste erfgoedstatus mis door de macht die eerder ook al de belangrijkste factor leek in de ontwikkeling van de stad: Commercie. We waren geschokt, omdat we in de veronderstelling waren dat Almere een goede visie op erfgoed had ontwikkeld. Een jaar eerder had de gemeente immers het Bivak aangekocht: een prachtige eerste zet in ons jonge erfgoedbeleid. De commissie begeleidde de ontwikkeling van de Roef intensief, waardoor het eindresultaat dit stuk erfgoed gelukkig nog steeds recht doet.

Bij het tweede project, gebouw ‘De Beurs’, het eerste gebouw van Almere Stad, was het tegenovergestelde het geval. Dit gebouw werd, nog voordat het beleid er was, door een oud-wethouder in de gronddeal met Van der Valk meegegeven als ‘te behouden’. Het gebouw werd gedwongen tot erfgoed, terwijl het die status niet had. Hoe moesten de opdrachtgever en de commissie daar nou mee om gaan? Het was volgens de ontwikkelaar een moeilijk te transformeren gebouw.

Het eindresultaat werd de vreemdste hybride ooit; het hele gebouw wordt gesloopt, de helft wordt teruggebouwd in de oude stijl, maar inclusief substantiële wijzigingen in de hoofdopzet. Het gebouw valt straks uit elkaar van de compromissen en toont in één oogopslag aan wat er op dit gebied mis dreigt te gaan. Almere neemt haar eigen erfgoed en daarmee zichzelf nog niet serieus genoeg.

Een andere interessante laatste casus was een groot (370 woningen) project in vrijstaat Oosterwold. Het project was stedenbouwkundig zó slecht, dat een student er zijn eerste jaar van de opleiding niet mee door zou komen. Oosterwold is natuurlijk niet bedoeld voor dit soort projecten. Het is bedoeld voor het zelf-ontwikkelende individu en het experiment. Blijkbaar is het regelgeving-technisch niet te voorkomen dat ontwikkelaars zich hier rijk gaan boeren, wegrennen met een grote zak geld en een binnen vijf jaar verpauperde wijk achterlaten.
Dat het project bij de commissie langs kwam, was omdat het groot en zichtbaar vanaf de hoofdinfrastructuur is. Dat we er met de criteria uit de welstandsnota niet op konden sturen was jammer, maar begrijpelijk: het had namelijk nooit mogen gebeuren.
Het beste lijkt me om Oosterwold écht welstandsvrij te maken, dus ook de hoofdinfrastructuur en het groenblauwe raamwerk van die wijk; dan doe je tenminste recht aan datgene waar Oosterwold voor bedoeld is: het experiment in de ruimtelijke ordening.

Als welstandsvrij niet welstandsvrij is, welstand geen welstand kan zijn en erfgoed geen erfgoed is, wat is voor onze stad dan, met de aanstaande omgevingswet en de mogelijke instrumenten voor sturing op ruimtelijke kwaliteit, de weg om te bewandelen? Is het tijd om Almere dan maar écht welstandsvrij te maken? Of moeten we juist zwaarder inzetten op welstand? Of zouden we ruimtelijke kwaliteit veel breder kunnen aanvliegen in een overkoepelende Commissie Ruimtelijke Kwaliteit?

Het antwoord schuilt in dialoog en samenwerking. Vanuit een breed geoutilleerd, onafhankelijk team toetsen en meedenken aan de voorkant, nog voordat er een bouwaanvraag of structuurvisie wordt voorgelegd. Samen met het publiek en het ambtelijk apparaat, naast elkaar. En de kern van dat team moet Almeers zijn: lokaal en verbonden. Want je kunt deze stad alleen écht begrijpen als je er ook woont.

Bas ten Brinke

Aanbevelingen

  • Ontwikkel kaders voor de verdichtingsopgave, bijvoorbeeld een hoogbouwvisie.
  • Zorg bij stadsvernieuwing voor integrale toetsingskaders en stedenbouwkundige doorontwikkelingsvisies.
  • Heroverweeg het welstandsbeleid: moet Almere helemaal welstandsvrij worden of moet er  juist zwaarder ingezet worden op welstand? Of zou de ruimtelijke kwaliteit veel breder kunnen worden aangevlogen met een overkoepelende Commissie Ruimtelijke Kwaliteit?

Bas ten Brinke

Voorzitter en architectlid tot november 2020

Bas ten Brinke studeerde Architectuur en Urbanistiek aan de Technische Universiteit Eindhoven en richtte op zijn 27ste  70F architecture op. De herkenbare handtekening van 70F wordt door architectuurcritici vaak geduid als spartaans hypermodernisme.

Nu, 21 jaar later, staat Ten Brinke’s passie voor moderne architectuur nog steeds voorop in zijn werk. Hij heeft een team van bevlogen architecten om zich heen verzameld, maar is nog altijd nauw betrokken bij elk 70F project.

Hij is spreker op internationale evenementen (o.a. Milaan, Cluj-Napoca, Singapore) en gastprofessor aan de Universiteit van Ljubljana (Slovenië) en La Salle University (Spanje en Nederland).

Opgegroeid in Almere koppelt hij zijn vakkennis aan de stad. Naast zijn werk als architect is hij betrokken Almeerder, voorzitter van het Cultuurfonds Almere, bestuurslid van het Prins Bernhard Cultuurfonds en voormalig voorzitter van de commissie welstand en erfgoed van de stad.